Onbemand
Jordan Crandall

Tijdens de Tweede Golfoorlog werden circa 600 journalisten toegevoegd aan gevechtseenheden en ondersteunende troepen, zodat wij de oorlog allemaal ‘vanaf de eerste rang’ konden zien. Deze ‘ingebedde’ journalisten, die vooraf door het Pentagon in een week tijd in speciale trainingskampen werden klaargestoomd, mochten geen wapens dragen, maar wel camera's. Als de Eerste Golfoorlog (waar de verslaggevers in hun hotel moesten blijven) wel wat weg had van een oorlogsspel, dan leek deze oorlog meer weg te hebben van reality-tv. Opgepept door de samenwerking met Hollywood (dat op dit moment ongekend hoge inkomsten genereert uit het programmeren van reality-tv, waar meer dan de helft van de programma's in de Amerikaanse toptien onder valt) en met steeds meer kennis op informatiegebied, weet het Pentagon inmiddels dat het vooral draait om het in scène gezette ‘echte leven’. Geen beschuldigingen meer, zo denkt men, van informatie achterhouden of controleren. We krijgen het echte leven aan het front, de waarheid achter de façade, Ted Koppel in een tank.

Maar net als het tot in de finesses geregisseerde reality-televisieprogramma waar uiteindelijk alle spontaniteit uitgewrongen is, bleken deze beelden al even misleidend te zijn als die van de Eerste Golfoorlog. Je had regels die bepaalden hoe je met de vijand moest omgaan, en elke ingebedde journalist had gezworen zich aan die regels te zullen houden. Over details van militaire operaties kon alleen in algemene bewoordingen worden geschreven en het was verboden om over mogelijke toekomstige missies, geheime wapens en vertrouwelijke informatie te schrijven. De manschappen hanteerden een gedragscode over wat gezegd kon worden. Elk moment kon de commandant van een eenheid waar iemand was ‘ingebed’ een verslaggever beletten berichten te verzenden via de satellietverbinding. Wat live leek was in werkelijkheid vaak al uren eerder opgenomen. Bovendien kwam het toch allemaal in de met beeldmateriaal beladen, vol soundbites gepakte nieuwsmachine terecht, die zelf de belangrijkste link is met een door de media aangestuurde markt waar investeerders ‘de oorlog bespelen’ en op basis van nieuwsberichten handeldrijven. De ingebedde verslaggeving was zelf ingebed in een geheel van inmiddels vertrouwd aandoende conventies en werd gepresenteerd in combinatie met voorbijrollende updates, door de computer gegenereerde luchtparades boven Bagdad, animaties van EarthViewer-satellietbeelden, tromgeroffel en links naar websites waar we 3D-animaties van munitie mochten betasten. Uiteindelijk zag de oorlog er niet zozeer uit als reality-tv als wel als een carnavaleske mediaolympiade.

Prominent aanwezig naast deze ingebedde beelden waren de vertrouwde echo's van de Eerste Golfoorlog: beelden die je niet zomaar vergeet, van op camera's bevestigde bommen (of liever gezegd, op bommen bevestigde camera's) die bij contact ontploffen en repercussies op de grond aan het oog onttrekken. De vliegende perspectieven die voor ons alleen virtueel toegankelijk zijn. (Vanuit de hand gefilmd op de grond. Vanuit een precisiestandpunt in de lucht. Welk standpunt moeten wij innemen?)

Als altijd dringt zich de vraag op wat de echte artillerie is in deze oorlog: beelden of kogels. Misschien moeten de soldaten toestemming krijgen om camera's mee te dragen, of misschien moeten camera en geweer gewoon in elkaar opgaan. Voor de strijdkrachten is de afstand tussen die twee toch al aan het afnemen. Bij het geheel dat wel het militair-entertainmentcomplex wordt genoemd (Het valt nu al niet mee om onderscheid te maken tussen geënsceneerde gevechtsinformatie, nieuws en entertainment.) Bij de vensters tussen opsporing en gevechtshandeling, ‘zoeker’ en ‘schutter’, het vergaren van militaire inlichtingen en het inzetten van materieel – wat in velerlei opzicht de militaire voortgang aanstuurt, met name de beeldvergaring vanuit de lucht.

Dat in elkaar opgaan kan op twee manieren gebeuren. Deze kunnen we de bemande en de onbemande noemen.

Een mogelijkheid tot herbemanning ligt open via de reality-media en hun focus op ongefilterde rechtstreeksheid. Tegelijkertijd ligt er een niet-fysieke mogelijkheid open via geautomatiseerd zicht en het ‘onbemande’. Denk aan twee manieren. De ene is de met de hand bediende camera die live ter plaatse is. We kijken erdoor naar kennelijk rechtstreeks, onbewerkt beeldmateriaal. De andere is de niet-fysieke blik. We kijken er niet doorheen. De blik is van iedereen en van niemand. De bom die meerijdt op de camera is er slechts één voorbeeld van. Er zijn veel andere voorbeelden die we niet kunnen zien. In velerlei opzicht heeft deze blik de status van een voorwaarde aangenomen. Dat wil zeggen dat hij van iets wat we kunnen weergeven iets is geworden wat die weergave structuur helpt te geven, alsof hij zich achter het visuele veld schuilhoudt.

Dus welke is het nu? Wanneer we waarneming beschouwen als iets wat verplaatst wordt – en oorlogsvoeren heeft op allerlei manieren met die verplaatsing te maken – kunnen we dan zeggen dat ze weer fysiek gemaakt wordt, of niet? Ik wil deze manieren allebei bekijken. En daarbij wil ik nog een element introduceren, deze concepten in zekere zin bewapenen. Ik zou voorstellen dat de voorwaarde voor het verplaatsen van waarneming wordt gevormd door de erop volgende bewapening, de steun die ze ondervindt van een veroverings- en verdedigingsapparaat. Kunnen we waarneming beschouwen als iets wat op die manier wordt bewapend? Hoe is het mogelijk dat een capaciteit die steeds meer efemeer en diffuus wordt, tegelijkertijd ook wordt versterkt als ze is opgenomen in een oorlogsapparaat? Gedematerialiseerd en toch verzwaard?

Het onbemande toestel

De ster onder de onbemande voertuigen is tegenwoordig de Predator, die in Bosnië in 1995 groots debuteerde. De Predator is een op speelgoed lijkend, vensterloos toestel dat oorspronkelijk werd gebouwd voor verkenningsvluchten en dat door het leger en de CIA wordt ingezet. In de cockpit zit geen piloot: degene die het toestel bedient zit honderden, zoniet duizenden kilometers verderop (tegenwoordig in Nevada) aan de knoppen. De Predator voorziet medewerkers van leger- en inlichtingendiensten in bases in Virginia en Californië van een constante stroom live videobeelden die zij doorgeven aan analisten en legeraanvoerders overal ter wereld.

De Predator was nooit ontwikkeld om op doelen te kunnen vuren. Het is vaak voorgekomen dat hij potentiële doelen op video heeft vastgelegd maar geen verdere actie kon ondernemen. In andere woorden, hij ‘had hen in het vizier’ maar werkelijk vastleggen – namelijk neerschieten – was onmogelijk, alsof hij niet bij machte was. Een Predator-toestel heeft ooit in Afganistan een ‘lange man met een tulband’ gefilmd die volgens vele hoge functionarissen Bin Laden was. Maar het enige wat gedaan kon worden was de informatie doorgeven aan commandoposten die het dan weer konden doorsluizen naar andere, wel voor onderschepping geschikte voertuigen. Het was niet mogelijk om datgene wat in de zoeker verscheen, te elimineren, een daad die de doelstelling van fotografie juist lijkt te loochenen. Het doelwit glipte intussen uit het gezichtsveld.

De machteloosheid van het beeld leidde ertoe dat het toestel opnieuw geconstrueerd werd. Onder het nieuwe bewind van het beeld is de mogelijkheid om te ontkomen afwezig. Zicht moet worden toegerust, het koetswerk van nieuwe werktuigen voorzien, het apparaat bewapend.
Typerend effect: het leger heeft altijd al geprobeerd de tijd van ‘zoeker naar schutter’ tot vrijwel nul terug te brengen. Detectie- en deelnameapparatuur moesten nog meer geïntegreerd worden. De voortdurend toenemende urgentie bereikte een hoogtepunt na 11 september. Vliegensvlug werden de Predators uitgerust met Hellfire-projectielen en laserdoelzoeksystemen. Op de neus en de onderkant van de Predator bevonden zich nu een videocamera, doelzoeker en lanceerinrichting die gekoppeld kunnen opereren. Projectiel en camera wijzen naar de grond, op de vangst gericht en naast elkaar bevestigd op de buik van een vensterloos vliegtuig.

Vastleggen-lanceren. Zien-richten-vuren.

Ooit was de fotografie een nauwkeurige replica van de wereld, aangestuurd door de behoefte om bij rechtstreeks fysiek contact met de ervaringsplek de menselijke factor te verwijderen. De behoefte om de menselijke factor ‘aan de andere kant’ van de representatie te plaatsen als een soort beschutting tegen de werkelijkheid. De behoefte om zich te beschermen tegen de wisselvalligheden en gevaren van de fysieke aanwezigheid en een soort niet-fysieke aanwezigheid mogelijk te maken. Aanwezigheid door verwijdering. Ik ben er en toch ben ik er niet. Het beeld en zijn technische onderbouwing fungeren als beschermer, schenker van leven, en toch zijn ze ingekapseld in een technische ontwikkeling die de menselijke factor onnodig dreigt te maken. Ze verschaffen een middel om het menselijke uit te breiden dat tegelijkertijd een middel is om het te elimineren. Oorlogvoering: bescherming met behulp van het beeld, tegengewerkt door de vernietiging die door datzelfde beeld gemakkelijker wordt gemaakt.

Wie zetten dit in gang? De luchtmachtofficieren die tijdens het conflict in Afghanistan de grondacties in de gaten hielden in het CIA-hoofdkwartier in Virginia waren, aldus The Washington Post, af en toe ‘verbaasd als ze een explosie waarnamen, en hoorden later pas dat de CIA een raket had afgeschoten’ Wie kijkt, wie analyseert, wie bestuurt het vliegtuig, wie vuurt? Deze rollen zweven in een ongemakkelijk verbond tussen uitvoerende instanties die elkaar vaak beconcurreren.

Naast het inkrimpen van de scheiding tussen opsporings- en gevechtstechnologie is er sprake van vervagende rollen bij het vergaren van informatie en het inzetten van troepen en materieel. Denk aan het vervagen van rollen en beperkingen bij de FBI en de CIA en het in het leven roepen van de nieuwe inlichtingendienst als onderdeel van het Departement voor Binnenlandse Veiligheid. Uit deze krachtenbundeling komt de technologie zelf ‘tot uitbarsting’. Of is het andersom? Dan is er het beeld en de rol van het zien. Het beeld spoort op en zoekt het doel, het volgt sporen en richt, waarbij de uitsneden ervan fungeren als een nieuwe perspectiefontwikkeling. Als we perspectief beschouwen als een manier om relaties tussen voorwerpen in de ruimte en hun representaties te plaatsen, wat is het dan als we die ruimte willen laten instorten? Is dat een op vernietiging gericht perspectief? De uiteindelijke teloorgang van de referentiële misvatting, een implosie midden in de explosie? Een precisie-bevriezing in tijd en ruimte, een precisie-sedimentatie van beeld, verwijzing en projectiel in real time, om de vernietiging de weg te wijzen en te markeren?

Eerste aanval. In februari 2002 werden enkele mannen die al een tijdlang door het Amerikaanse leger en de CIA in de gaten waren gehouden, op de grond doodgeschoten door een Predator-toestel. De vaststelling was dat de mannen betrokken waren bij ‘verdachte activiteit’ en een van hen werd ervan verdacht Bin Laden zelf te zijn. De aanval was een vergissing. Vervolgens werd verondersteld dat de mannen alleen maar op zoek waren geweest naar metaalresten in de grond. Het Pentagon verdedigde de aanval maar probeerde zich er tegelijkertijd van te distantiëren en gaf de CIA er de schuld van. Het publiek hoorde voor het eerst dat de CIA betrokken was bij het afvuren van projectielen.

Tweede aanval. Ongeveer drie maanden later, op 9 mei, werd ook Gulbuddin Hekmatyar, een verdachte Afghaanse factieleider, beschoten door een Predator-toestel. Hij bleef in leven. Het was de eerste bevestigde missie om iemand te doden die niet officieel deel uitmaakte van het gevallen Taliban-bewind of het al Qa’ida-netwerk.

Derde aanval. Op 3 november 2002 doodde een door een Predator-toestel afgevuurd projectiel Qaed Salim Sinan Harithi, alias Abu Ali, een voorman van al Qa’ida. Hij was in Jemen onderweg in een auto waarin ook vijf laag geplaatste metgezellen zaten, die eveneens gedood werden. De auto en de lichamen werden door het vuur verzwolgen. De aanval was de eerste waarbij een bewapende Predator werd ingezet tegen verdachten buiten Afghanistan.

Vierde aanval. Het recentst, op 20 juni 2003, vernietigde een Predator-toestel een konvooi dat bij de Syrische grens in West-Irak reed. Men dacht dat er voortvluchtige Iraakse leiders meereisden in het konvooi en er werd verondersteld dat Saddam Hoessein zelf meereisde.

Ik weet nog dat ik bij elk van deze gevallen, bij elk van deze aanvallen geprobeerd heb de scène voor me te zien. Een man die alleen is of in een groep staat, of in een auto zit wordt plotseling vanuit de lucht beschoten, alsof hij door de bliksem wordt getroffen. Te midden van de anderen die bij hem in de buurt staan is hij ter vernietiging uitgekozen, alsof het een godsgericht is. Naar welke verafgelegen, verborgen bunker werd dit beeld gestuurd, wiens verborgen hand liet de springlading gaan? Walter Kirn schreef in de New York Times dat, vanuit het perspectief van zijn sofa, het laatstgenoemde voorval de kenmerken had van een ‘onbezoedelde vernietiging’. ‘Het kan best Thor geweest zijn die geschoten heeft,’ schreef hij. ‘Of ik.’ Hij zei dat ‘aangezien de treffer door geen enkel menselijk individu werd opgeëist – geen opschepperige topvliegenier, geen scherpschutter achter in het toestel, geen militair die door de zoeker van zijn geweer tuurt – voelde het aan als een zuivere projectie van mijn wil.’ Het voelde aan als een zuivere projectie van zijn eigen voortdurende woede jegens het terrorisme.
Je ziet meteen een vreemd soort gewapende televisiejunk voor je, die ergens tussen een videospelletje en het nieuws is blijven hangen. Met onze eigen afstandsbediening in de hand, die ons het fictieve rechtstreekse commando geeft, zitten we voor het scherm van onze televisie of pc en bevinden ons merkwaardig genoeg op ongeveer dezelfde afstand van de actie als de echte piloten en als de geheime teams die de vinger aan de trekker hebben. Onderdeel van een verspreide massa zonder vastomlijnde contouren en zonder dat er iemand aan het roer is te zien, is het onbemande systeem niemand en toch is het iedereen. Zijn projectiel: het verlengstuk van de een of andere innerlijke strijdlustige toestand? Een verspreid, gewapend voornemen?

Je kunt het op de haak smijten van de hoorn opvatten als het hoe dan ook ‘terugpakken’ van degene aan de andere kant van de lijn; denk ook aan het claxonneren tegen een domme automobilist die bijna een ongeluk veroorzaakte. We brengen onze woede over via onze apparatuur. Via allerhande afstandsbedieningen kunnen we ons het heel algemene gebaar van ‘richten en schieten’ voorstellen. Geen van deze handelingen komt uiteraard ook maar in de buurt van het lanceren van een echt projectiel. Maar we herkennen het gebaar, het responsmechanisme, het conditioneringsproces, het te onderscheppen doel. We kunnen praten over het mechanisme achter de ‘aanvalsbeslissing’. Metaforisch gesproken ‘jouw knoppen indrukken’ wil zeggen dat je zwakke plekken opzettelijk worden uitgebuit en dat wekt, heel voorspelbaar, woede op. Het instrument beschrijft een looping tussen perceptie, technologie en de bewegingen van het lichaam. Oog, zoeker en trekker. Een structuur om de aandacht te oriënteren en differentiatie of opsplitsing te vereenvoudigen. Subject/object, ik/jij, vriend/vijand. We verkiezen het ene boven het andere. We situeren ons aan ‘deze kant’ van het beeld, aan de veilige kant, tegen de vijand waar het ons tegen beschermt. We trekken strepen in het zand en zeggen: ‘Hier sta ik tegenover jou’ en daarmee definiëren we onszelf dus door hetgeen waar we tegen zijn. Hoe ver zijn we bereid te gaan om het te verdedigen? Wat voor technologie steunt ons?

De verslaggever

De verrassingsaanval op de Irakese commandobunker die de Tweede Golfoorlog in gang zette, werd verondersteld de moeder van alle geleide aanvallen te zijn. Denk aan al het calculerend vermogen en alle geheime informatie die nodig waren voor het bepalen van dat ene, precieze moment. Het werd verondersteld het hoogtepunt van de hele operatie te zijn, het meesterwerk, het kardinale punt, de glorieuze bekroning van de Amerikaanse militaire machine. Stel je voor, Saddam Hoessein in één enorme klap wegvagen, een precisie-bombardement vanuit de lucht, alsof God zelf de man had geveld. De dreun boven Bagdad die ochtend schokte de stad en de hele wereld.

Later greep Donald Rumsfeld, die in zijn gebaren graag gevechtsmachines nabootst, de zijkanten van zijn spreekgestoelte beet met zijn ellebogen naar buiten en zijn hoofd naar voren gestoken alsof hij de vorm aannam van een boven zijn prooi opdoemende Apache-helikopter. Over zulke precisie droomden we vroeger niet eens, zegt hij.

Intussen trokken bataljons soldaten en verslaggevers het land al binnen.

Men zegt wel dat er tegenwoordig zo veel verslaggeving is dat het nieuws er vaak achteraan loopt. Denk maar aan de zwermen verslaggevers die tijdens de aanvallen van de sluipschutter in Washington DC tegenover de politie stonden alsof ze van de mobiele eenheid waren. In de genadeloze wereld van de commerciële nieuwsmedia is tijdige informatie artillerie en zijn de journalisten strijders. Virilio zei al dat het tegenwoordig de werkelijkheid is die de media moet bijhouden, in plaats van andersom. Het is niet moeilijk om te begrijpen hoe de ingebedde verslaggeving kon ontstaan in een cultuur van entertainment ‘achter de schermen’, urgentie, een zich snel ontwikkelende mediatechnologie en zonder geduld met het soort geheimhouding dat het Pentagon in het verleden in acht nam. ‘De waarheid is de beste verdediging’, zei kol. Jay DeFrank, perschef van het Pentagon, terwijl hele legioenen Amerikanen hun popcorn grepen.

Camera en wapen samen in de loopgraven op het slagveld. De klik van de trekker, de klik van de camera. Met de Predator werd de afstand ertussen verkleind in de zucht naar ‘vangst’ in de meest gewelddadige betekenis. Voor het gerepresenteerde was dus geen ontsnapping mogelijk. Terwijl het met zijn beeltenis samenvalt, wordt het vernietigd. Een beeltenis en een leven worden allebei ‘genomen’ terwijl oog en projectiel samengaan. De ruimte voor menselijk falen wordt kleiner aangezien een machine de coördinatie verricht. Maar hier op de grond delen camera en wapen een ruimte door toedoen van een feilbaar mens. De camera trilt. Degene die hem vasthoudt riskeert zijn leven. In het gebied tussen zien en schieten wordt de mens niet verwijderd maar opnieuw geïntroduceerd. In zekere zin is het de mens die wordt ingezet om aan een behoefte te voldoen in het functioneren van het apparaat.

Wat voor behoefte is dat?

Het is welbekend dat er tussen de mazen van de hyperrealiteit een manier van getuigen is weggeglipt. Een verwijzende band is verbroken. Met een algemeen aanvaarde versie van de daagse werkelijkheid komen de real life-media het gat vullen. Ze beweren ons aan het front te brengen. De media begeven zich op het terrein van het publiek door zijn ‘authentieke’ deelname toe te laten. Een gevoel dat het niet in het script voorkomt, gaat in tegen de tot in de puntjes verzorgde mise-en-scène van de media en maakt een opening. De misleidende aard van de media wordt even opgeschort en je kunt jezelf erin voorstellen. Ik verlies mezelf niet in de beeltenis, ik leef niet in een wereld van beelden. Maar dit ‘echt zijn’ maakt een naadloze koppeling tussen beide mogelijk. Een synchronisatiepoort gaat open die een heen-en-weer beweging mogelijk maakt. Het zijn ‘echte gevoelens’ en ‘echte mensen’ die authenticiteit bepalen. Wij identificeren ons met de mensen op het scherm omdat ze om de een of andere reden meer op ons lijken in situaties en omstandigheden die meer op het leven lijken. De bron van voyeuristisch genot is van afstand afhankelijk, en die afstand verplaatst zich nu naar andere geometrieën. Deze real time beeldstromen, de levensechte decors, de ‘echte acteurs’ en de kennelijk live plaatsvindende handelingen en effecten konden echter alleen een identificatieveld openen voor een populatie die al geconditioneerd was om zichzelf door media-zelfreflectie te zien. Wat alleen kon gebeuren als de media-mise-en-scène al gestalte had gekregen – en dat was dus gebeurd – en de enige authenticiteit verlenende constructie van het huidige tijdperk was geworden: de culturele achtergrond voor bewustzijn, identiteit en representatie, de achtergrond waartegen subjectiviteit en maatschappelijke verhoudingen vorm krijgen.

Het ingebed zijn zet mij terug op de plaats waar de fotografie me ooit vandaan wilde halen om me te beschermen. Ik word (zo lijkt het) opnieuw geïntroduceerd aan de andere kant van het schild, op het slagveld van het Echte gedropt en (zo lijkt het) blootgesteld aan alle gevaren ervan.

Het ingebed zijn vormt dus een taal die het echte betekent – een echtheid die in meer dan een opzicht belegerd is geweest – door nieuwe vormen van samenhang en samengang te helpen ontwikkelen tegen een gewelddadige andere. Het biedt een bepaalde verwijzingscompensatie. De kennelijk spontane, uit de hand gefilmde, korrelige video-modus is er een van echte aanwezigheid gaan betekenen, en hier doet de hortende beweging en het door het beperkte transmissiebereik veroorzaakte optreden van artefacten dienst als een soort transmissie-waarachtigheid. Het ‘echte’ is gelijk aan geloofwaardigheid via zijn uitstraling van ongefilterde urgentie. De werkelijkheid van de representatie komt in de plaats voor de representatie van de werkelijkheid. Dat wil zeggen dat ‘authenticiteit’ niet zozeer voortkomt uit de authenticiteit van de werkelijkheid an sich als wel van de authenticiteit van de wijze waarop de werkelijkheid is vastgelegd.

De compensatie heeft ook een taalkundig effect. Wanneer je naar de ingebedde verslaggevers luisterde, merkte je dat ze soms leken te praten alsof ze soldaten waren in plaats van journalisten. Ze maakten gebruik van het militaire jargon en zeiden ‘wij’, alsof ze deel uitmaakten van de strijdkrachten. ‘‘We’ gingen patrouilleren.’ ‘‘We’ hebben circa 30 of 40 Irakezen neergeschoten’ in een vuurgevecht. Oorlog voeren gaat altijd over dergelijke scheidingen en samenhangen, want die overschrijden de taal. Nieuwslezers zeggen ‘wij’ of ‘ons’ om een innerlijk samenhangende wereld te scheppen tegenover een buitenwereld waar wanorde heerst. Innerlijke veiligheid tegenover de gevaren buiten. Margaret Morse heeft erop gewezen dat door zulke mechanismen, met inbegrip van hiërarchisch gestapelde werelden, kleding- en gedragscodes, beeldtaal en andere zorgvuldig geordende conventies, een samenhangende wereld wordt geschapen die zijn toeschouwer in een troostrijk hier-en-nu omvat. In een dergelijke nieuwsopbouw zien we dat het publiek zijn plaats gewezen krijgt volgens de conventies van macht en positie in het discours. Door zorgvuldig in het nieuws aangebrachte verdelingen waarbij bijvoorbeeld de nieuwslezer de kijker wel rechtstreeks kan toespreken maar het gerepresenteerde publiek dat niet kan, worden posities versterkt, gevechtsgebieden gemarkeerd en de macht gehandhaafd. Wanneer we een differentiatieproces in actie zien, kunnen we dit beschouwen als een onderdeel van een subjectiviteitsmachine. Een arsenaal dat in feite een scheiding tussen innerlijk/uiterlijk voortbrengt.

Dergelijke mechanismen representeren de oorlog niet alleen. Ze zijn de oorlog.

In het vuur van het gevecht denk je niet echt na. Je handelt. Zeker in crisissituaties (die steeds vaker de norm zijn) denkt de militaire machine voor mij. In burgertermen: wat er gebeurt wordt verwoord in wat Elaine Scarry een mimesis van deliberatie zou noemen: een overlegsimulatie die de plaats van je eigen denken inneemt. De mediaconstructie is van dien aard dat ze zelf nadenkt door jouw denkprocessen te spiegelen en je een rechtstreekse interface, een versmelting van geesten, binnenvoert. Naadloos gerealiseerd geautomatiseerd overleg. Ik ben hier aan het front en ik ben virtueel getuige van wat het scherm vertoont, het is echt. Het vindt plaats in een nieuwsconstructie die virtueel voor mij denkt. Het beeld dat ik zie – het slimme beeld van hightech wapentuig of het slimme beeld van de multi-format nieuwsuitzending met bewegende tekststroken en weblinks – is het zelf denkende beeld, dat binnen de eigen grenzen plaats biedt aan cognitie. Soms, zoals wanneer beeld en ammunitie samenvallen, vernietigt het zelfs zichzelf.

De ‘zichtloze blik’ van het onbemande systeem kan een buitengewone macht verwerven omdat niet kan worden bepaald wie de drager ervan is. De versterkte blik van het ingebedde oog verwerft juist macht omdat dat wel kan.

Misschien zijn ze uiteindelijk allebei wel even ‘onbemand’, de laatste op venijniger wijze omdat die optreedt onder het mom van zijn tegenovergestelde.

Postscriptum:

Toen de oorlog in volle gang was, zag ik een met een nachtzichtcamera gefilmde scène op CNN. Iemand maakte een panoramische opname van het gebied en wierp er de bekende groene gevechtsgloed overheen. Maar dit keer werd de camera niet op de vijand gericht. Hij werd gehanteerd door een ingebedde verslaggever die de soldaten in het bataljon – zijn bataljon, ‘ons’ bataljon – scande, terwijl zij op hun beurt het landschap in de gaten hielden, met hun wapens in gereedheid. Een samenspel van gewapende en ongewapende blikken. In plaats van het koude, onbewogen oog van de militaire machine wordt de plaats achter de lens weer door een mens – een burger – ingenomen. Zou ik het kunnen zijn? Wat is het verschil tussen de manier waarop ik zie en waarop de krijgsmacht ziet? Ik zoek naar iets wat anders is dan anders, iets wat me sterker maakt of waar ik tegen kan pleiten.

Criticus? Verleider? Slachtoffer?